Vitaliteit is ’in’ zeggen de auteurs. En dat klopt; waar vroeger vooral van vitaal sprake was als het ging om een vitaal oudje, komt het nu in tal van combinaties voor: vitaliteitsmanagement, vitaliteitsbeleid, vitaliteitsscan. Het boek gaat over de vitaliteit van de organisatie (corporate vitality) en de vitaliteit van de werker binnen die organisatie (personal vitality), die met elkaar in een dynamische verbinding staan. Zes hoofdstukken en zeven bijlagen worden eraan gewijd. De eerste twee hoofdstukken belichten vooral de vitaliteit van de organisatie (cultuur, structuur) en het vitaliteitsmanagement binnen die organisatie, dat zich richt op externe en interne ontwikkelingen. De twee volgende hoofdstukken zoemen in op de vitaliteit van de medewerkers, waarbij het gaat om aspecten als verzuim, balans privé-werk, relatie voeding-gedrag, en om hulpmiddelen en instrumenten die de vitaliteit kunnen meten en zo nodig op peil brengen. In dat verband gaat het vluchtig over coaching. Het vijfde en voorlaatste hoofdstuk gaat heel gedetailleerd in op persoonlijke leefregels aangaande onder meer voeding, beweging, ontspanning en gewicht van het individu, waarna het laatste hoofdstuk overschakelt op de kosten en baten van vitaliteitsbeleid. De bijlagen hebben onder mee betrekking op effectief leiderschap, essenties van prestatiegericht coachen, de biologische leeftijd en tips voor vitaliteit. Het Handboek Vitaliteit is uiterlijk prachtig verzorgd en er staan ook aardige fragmenten in, maar het is geenszins een consistent geheel geworden. De inleiding verzuimt duidelijk aan te geven wat de lijn van het boek is, en al lezend is het ook lastig om die te ontdekken. Er komt enorm veel aan de orde, maar vaak in de vorm van rijtjes en opsommingen. Interessante voorbeelden ontbreken. Het lijkt ook of de auteurs niet hebben kunnen kiezen op welke doelgroep ze zich richten (leidinggevenden, medewerkers) en welke stijl daarbij het beste past. Soms gaat het om afstandelijk organisatieboekenproza, dan weer lijkt de lezer in een lifestyle- of gezondheidsperiodiek beland. Formele stijl maakt ineens plaats voor je-praat (’Als je zin hebt om te eten tussen de maaltijden, kies dan vet- en caloriearm’) die binnen dezelfde alinea op ’u’ kan overgaan of net zo makkelijk met de lezers een bondje vormt en de ’we’-vorm kiest. Soms wordt een neutrale positie ingenomen, dan weer is de toon eerder belerend. Het lijkt er kortom op dat de auteurs niet hebben kunnen kiezen, en dat de uitgeverij vooral aandacht heeft besteed aan de fraaie omslag. Hoe valt anders te verklaren dat par. 5.5.2 en 5.8.2 exact dezelfde tekst bevatten (over ademen) die bovendien nog eens in 5.8.3 integraal herhaald wordt. En dat binnen dezelfde figuur onverenigbare cijfers worden gegeven (wat betreft calorieënverbruik)? Soms is de inhoud zweverig: over een leider wordt gezegd dat ’zijn mensen moeten hunkeren naar zijn aandacht, schouderklopjes en liefde’; ze is vreemd: ’stress zet een dierlijk proces in werking’ of de zinsconstructie rammelt. Kopjes, zoals ’uitdaging en betrokkenheid’, ’te veel uitdaging’ en ’te weinig uitdaging’ staan op hetzelfde niveau, terwijl de laatste twee subkopjes bij het eerste zouden moeten zijn. Een van de auteurs is docent aan ’Hoge School Brabant’, terwijl Hogeschool Brabant al sinds enkele jaren Avans Hogeschool heet. Het is echt te veel slordigheid om door de vingers te zien. Om toch met pluspunt te eindigen: het boek is voorzien van een register. (Nel Jagt)